Skūtsje

Jonge Rein

 

 

• Home • Nieuws • Historie • Fotos • Sponsors • Donateurs • Agenda • Bemanning • Links • Gastenboek •

 

Hoofd-

sponsors

 

 

 

 

 

 

Sub-

sponsors

Hans Overdiep Transport Wytgaard

 

 

 

 

.

.

 

 

 

Vrienden van skūtsje 'Jonge Rein'.

Jos Bijlsma
a.g.f. handel te Surhuisterveen
Voor belangstelling : 06 - 413 63 925

 

 

Een Skūtsje


Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Een grote tjalk werd in Fryslān ‘skūte’ genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland ‘tjalk’ genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen).

Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het ‘skūtsje’. Door oude scheepsbouwers werd dit type ‘roefschip’ genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Skūtsjes zijn snel zeilende vrachtschepen en is het Fries voor 'schuitje'. Aanvankelijk werden de schepen gebouwd in hout, bestemt voor het vervoer van onder meer mest, terpaarde en aardappelen over de ondiepe, nauwe vaarwegen van Fryslān. Een skūtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieerde van 10 tot 14 meter. Langer dan 14,50 meter konden de skūtsjes niet zijn, omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skūtsjes hebben een opgebouwde roef met daarvoor een laadruim en achter de roef de stuurvoorziening. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip boven een brede welling met brede drammen en stuiten, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip.

De schepen waren aanvankelijk van hout. Vanaf 1889 werden skūtsjes gebouwd in zogenoemd staalijzer, waarbij nog steeds de lijnen van de houtbouw werden gevolgd. Ze werden toen ook langer: 15 tot 20 meter en kregen een laadvermogen van ongeveer 12 tot 50 ton. Skūtsjes werden gezeild of gejaagd (getrokken bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde of bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skūtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skūtsje. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden de zeilen vervangen door motoren. De 'roefskippen' waren als vrachtscheepjes niet langer rendabel toen grote binnenvaartschepen, die een laadcapaciteit hadden van honderden tonnen, hun rol overnamen.

Veel skūtsjes verdwenen onder de sloophamer, kregen een functie in het buitenland of werden omgebouwd tot woonarken. Vanaf de jaren zeventig werden veel van deze afgedankte skūtsjes weer teruggebracht in originele staat, deels voor pleziervaart en deels voor wedstrijdzeilen.

Bekende Friese scheepsbouwers van skūtsjes waren: Barkmeijer (Briltil, Dokkum, Sneek en Stroobos), Bos (Echtenerbrug), Bijlsma (Warten), Croles (IJlst), Draaisma en Brandsma (Franeker), Van der Werff en Roorda (De Piip) (Drachten), Van der Werff (Kootstertille en Wergea), Van der Werff en De Roos & Van der Meijden (Leeuwarden), Van der Werf (Sneek), Van der Zee (Joure), Wildschut (Gaastmeer), en Zwolsman (Workum).

Het laatste ijzeren skūtsje voor de vrachtvaart liep in 1933 voor Jacob de Jong uit Witmarsum bij de werf Draaisma in Franeker van de helling.

Al vanaf 1836 worden er met skūtsjes wedstrijden gevaren. Sinds 1910 overheersten de staalijzeren skūtsjes in het hardzeilen voor vracht- en beurtschepen.

 

 

 

 

 

Home | Nieuws | Historie | Fotos | Sponsors | Donateurs | Agenda | Bemanning | Links | Gastenboek

 


Voor het laatst vernieuwd zondag 28 maart 2010.