|
1973-1975
In mei
1973 kochten Cornelis van Es en Marjan Verhoeven het woonschip ‘Maliad’,
gelegen aan het Jaagpad
tegenover de Handelskade in het oude schippersdorp, met veel
binnenvaart-roots,
Vreeswijk (nu Nieuwegein).
Cornelis,
roepnaam Cor (*06 juli 1948 te Djakarta, Indonesië), zoon van vader
Cornelis van Es (*05 augustus 1889
- † 06 februari 1965 te Drachten) en moeder En Nio Thio (*04
juni 1914 te Indonesië - † 06 juli 1998 te Drachten), was na
de soevereiniteitsoverdracht in 1960 met zijn ouders
vanuit Indonesië naar Nederland gekomen. Deze migratie werd ook wel
aangeduid met het woord repatriëring. Eenmaal in Nederland
aangekomen kwamen ze terecht in Drachten waar Cor verder opgroeide.
Cor genoot zijn opleiding aan het Drachtster Lyceum en in zijn vrije
tijd beleefde hij veel plezier aan de watersport in het waterrijke
Fryslân. In oktober 1968 kwam Cor bij het KNMI in De Bilt aan het
werk. Daar trof hij drie maanden later collega Marjan (*13-11-1949
te De Bilt), dochter van Jan Verhoeven (*Utrecht) en Maria Jacoba
van Vulpen (*Blauwkapel). Zij kwamen erachter dat ze dezelfde liefde
deelden voor elkaar en voor o.a. platbodems. Op zoek naar
gezamenlijke woonruimte werden ze door een collega van Cor
getipt, die naast een te koop komend woonschip op het Jaagpad 9
in Vreeswijk
woonde. Zo werd de ‘Maliad’
gevonden die als woonschip voor fl. 10.000,-- te koop lag in
Vreeswijk, incl. ligplaats aan het Jaagpad 8 ten noorden van de
Koninginnensluis, ter hoogte van km. 46,728 aan de oostzijde in het
Merwedekanaal.
Ze
kochten het van Cornelis Johannes ‘rooie Cees’ Poppelier, die er
samen met zijn vrouw Liena Wilhelmina Lokker, jaren op had gewoond.
De ligplaatsvergunning werd overgenomen en op 22 augustus 1973 door
Rijkswaterstaat tot 1 mei 1978 verlengd. Voor het gebruik van de
ligplaats, welke staatseigendom was van de Dienst der Domeinen,
moest een jaarlijkse vergoeding betaald worden van fl. 72,-- per
jaar.
Er lagen
meerdere woonarken hier in het Merwedekanaal. Met het graven van het
Merwedekanaal werd in 1881 begonnen. Van Amsterdam naar Utrecht
volgde het een nieuw tracé (dat van het huidige
Amsterdam-Rijnkanaal), daarna liep het via de Vaartse Rijn,
Vreeswijk, Vianen, Zederikkanaal naar Gorinchem. In Vreeswijk waren
aanmerkelijke aanpassingen onvermijdelijk. Vlak voor het dorp werd
een nieuw kanaalvak vanuit de Vaartse Rijn naar de Lek gegraven. Er
werd ook een nieuwe sluis gebouwd, die in 1892 door de jonge
koningin Wilhelmina en koningin-regentes Emma werd geopend. Vanwege
dit feit kreeg de sluis de naam Koninginnensluis. Deze sluis
betekende voor Vreeswijk een belangrijke toename van
handelsactiviteiten en dus ook van de welvaart.
Vanaf het
begin was het de bedoeling het witte woonschip met donkerbruine
houten opbouw om te bouwen naar een varend, liefst zeilend, schip.
Maar het schip werd in de eerste plaats gekocht om in te gaan wonen.
Het woonschip had van achteren uit bekeken een keuken, woonkamer,
slaapkamer en deels onder het voordek een kleine werkplaats, waar
jarenlang zeilwerk, zonneschermen en markiezen werden gemaakt door
Cees. Het schip kon vanaf de oostelijke Kanaaldijk via een loopplank
bereikt worden. Nadat Cor en Marjan eigenaar waren geworden van hun
nieuwe woonschip traden ze op 5 juli 1973 in een ander bootje.
In de
woonark werd als eerste het interieur door Cor en Marjan verbouwd.
Daarna werden er al snel plannen gemaakt voor een ingrijpende
verbouwing van de opbouw en het inbouwen van een motor.
1975-1978
In
overleg met ‘Scheepswerf & Machinefabriek Buitenweg’ te Vreeswijk
werd een plan gemaakt om de houten opbouw te vervangen door een
stalen. Verder werden voorbereidingen getroffen voor de inbouw van
een motor. Bij de constructie van het voordek en de opbouw werd al
rekening gehouden met de t.z.t. te plaatsen mast. Bij al die plannen
bleef voorop staan dat het schip als woonschip gebruikt moest kunnen
worden. Er werd om die reden gekozen voor “stahoogte” (1,85-1,90 m)
in de roef. Uitgangspunt daarbij was de lengte van Cor. Niet mooi,
wel praktisch! Omdat het achterdek ontbrak, werd ook hier gekozen
voor comfort: een kuip. Opnieuw: niet mooi, wel praktisch!
Een
andere beperking waren de financiële middelen. Cor en Marjan kozen
ervoor om de verbouwingen te financieren met spaargeld en dat was
niet onbeperkt. Na het maken van de plannen werd de verbouwing
uitgevoerd bij en door ‘Scheepswerf & Machinefabriek Buitenweg’. Er
werd veel zelf gedaan, met behulp van vrienden en familie. Om
voldoende tijd te hebben voor de verbouwing stopte Cor met werken.
Hij was daardoor veel op de werf te vinden waar hij veel ervaring op
deed. Op de werf heeft Cor zelfs meegeholpen met het klinken van
schepen. In die hectische tijd van de verbouwing vond Cor tijd om
met een opleiding tot maatschappelijk werker te starten.
In april
1975 werd eerst de houten roef afgebroken en was er alleen nog een
kale romp over. Bij het zien van de romp bleek de stevenscheg van
het voorschip verdubbeld te moeten worden. Daarna begon men met de
opbouw van de nieuwe roef. De roef werd voorzien van een teakhouten
betimmering en isolatie en de mastvoet werd geplaatst. Daarnaast
werden diverse pijpwerkzaamheden uitgevoerd, roefdeurtjes geplaats
en een lichtkap op de roef aangebracht. In de roef werden drie
patrijspoorten geplaatst en vier ramen in rubber gezet. Voor in het
schip kwam achter de mastvoet het slaapvertrek van circa
2,5x2,5 m met vaste kastruimte
en een tweepersoonsbed. Voor lichtinval, maar vooral voor de
veiligheid, werd het slaapvertrek voorzien van een licht- cq.
vluchtluik in het voordek. Voor de mastvoet kwam aan stuurboord het
toilet/de douche. Daarvoor kwam er een 60 l kunststoffen
vuilwatertank. Daar waar vroeger de laadruimte (it rom) van
het skűtsje was werd nu de woonkamer gemaakt. Bij de ingang
vanuit de kuip kwam de kombuis. Aan bakboord het keukenblok met drie
kastjes, een kunststof aanrechtblad met rvs spoelbak en een
mengkraan. Aan stuurboord kwam een 3-pits gasfornuis met oven,
Elecrolux koelkast en later ook nog een Panasonic magnetron.
Woonkamer en kombuis waren bijelkaar circa 7x3 m.
In het
schip kwam een waterdruksysteem, 12V Flojet drinkwaterpomp met
drukvat of direct waterdruk via walaansluiting, en werd een 500 l
watertank, gecementeerd, geplaatst en de voorbereiding voor het
plaatsen van een motor getroffen. Al het ijzerwerk aan de binnenkant
van het schip werd ingevet. Een monnikenwerk als je bedenkt dat er
om de 34,5 cm een spant zit (in totaal 42 stuks, excl. kop en kont),
maar voor conservering noodzakelijk. Het meest vervelende was wel
dat je nergens even lekker er bij kon staan.
Voor de
maatvoering van het geheel nieuw stalen roer werd het oude roer weer
opgedoken, dat de vorige eigenaar, Cees Poppulier, van het schip had
gehaald en onder water had bewaard. Al met al een meerjarenplan waar
met veel plezier aan werd gewerkt. Eind 1976 werd de eerste fase
afgesloten.
|
Scheepswerf & Machinefabriek
Buitenweg’
Op donderdag 28 maart 2002
zijn de helling, de bedrijfsgebouwen en het terrein van
de voormalige ‘Scheepswerf Buitenweg’ te Vreeswijk
officieel overgedragen aan de gemeente Nieuwegein. De
gemeente Nieuwegein had
eind 2001
alle gebouwen en terreinen aan de Wierselaan
overgenomen van de familie Buitenweg. In mei 2002 is de
Stichting Museumwerf Vreeswijk officieel opgericht. Deze
stichting is verantwoordelijk voor de exploitatie van
een werkende museumwerf. Om de scheepswerf als
museumwerf te kunnen laten functioneren heeft de
Stichting Museumwerf Vreeswijk ook alle gereedschappen
en overige inventarisgoederen aangekocht van de familie
Buitenweg. Zodoende is het mogelijk geworden na de
overdracht de werkzaamheden als museumwerf voort te
zetten. De ‘Scheepswerf Buitenweg’ is hiermee na 145
jaar opgehouden te bestaan en is in afgeslankte vorm
blijven voortbestaan als ‘Museumwerf Vreeswijk’. Bij de
Museumwerf bevinden zich aan de Vaartse Rijn ligplaatsen
voor historische binnenvaartschepen.
Na een ingrijpende verbouwing
is de werf op 19 mei 2006 heropend en ingericht als een
werkende museumwerf waar naast exposities over de
binnenvaart ook historische schepen kunnen worden
gerestaureerd en gerepareerd. Het blijft dus nog steeds
mogelijk schepen te (laten) repareren op de werf. Er
zijn echter ten opzichte van de oude situatie nog wel
enige spelregels. De te repareren schepen moeten
geregistreerde origineel historische
(binnenvaart)schepen zijn.
|
1978-1989
In mei
1978 werd bij de ‘Scheepswerf & Machinefabriek Buitenweg’ te
Vreeswijk een Ford EBRO 4 cilinder scheepsdieselmotor nr. 211402,
type Silverstar 592E, vermogen 63 pk, met Velvet Drive hydraulische
keerkoppeling type AS 3-71Cr met een reductie 2,1:1 geleverd. Die
zomer werd het ingebouwd en een schroefas en schroefaskoker
geplaatst en aangesloten met alle bijbehorende leidingen en met een
bronzen scheepsschroef 20“x16” LK. 3. Ten behoeve van de benodigde
brandstof kwam er een 400 l
stalen brandstoftank in het
schip. Er kwam een Morse bediening op de ‘Maliad’ en in het
achterschip werd een kimcooling aangebracht.
Na de
restauratie in 1981, kreeg het schip naast een nieuwe functie ook
een nieuwe naam: ‘Eenhoorn’. Je kunt zeggen dat het toepasselijk
was, omdat deze naam stond voor een vis in het water of dat in
de middeleeuwen de Eenhoorn werd bestempeld als een sterk en woest
beest en toch ook geassocieerd werd met kuisheid en maagdelijkheid,
het dier kon immers alleen in bedwang gehouden worden door een
maagd. In werkelijkheid vond Cor het een praktische naam met veel
rechte lijnen in de letters, wat makkelijk te gutsen was.
Of het aan Cor zijn gutskwaliteiten lag of niet, maar de naam
‘Eenhoorn’ werd dikwijls gelezen als ‘Eekhoorn’, waar Marjan altijd
smakelijk om moest lachen. Maar Cor kon desondanks handig overweg
met hout. Hij presteerde het zelfs om voor op het roer een sierlijke
klik te maken, welke nog in het bezit is van Marjan die daar
geen afstand van kon doen.
In deze
periode werd het schip gebruikt als woonschip en als
pleziervaartuig. Aanvankelijk
waren Cor en Marjan vooral in hun vrije tijd te vinden op de Lek.
Daar zijn verschillende recreatieplassen ontstaan door de bouw van
de stuw in de Neder-Rijn bij Amerongen. De rivier die oorspronkelijk
o.a. langs het dorp Maurik liep is destijds daar een paar honderd
meter naar het noorden verlegd. Ter hoogte van het dorp ontstond
hierdoor een dode rivierarm. Het gebied ertussen wordt bij Maurik
het Eiland van Maurik genoemd. Het is nu vooral watersport
recreatiegebied en natuurgebied. De resten van de bedrijvigheid van
vroeger zijn hier in de vorm van drie vervallen steenfabrieken nog
terug te vinden. Ook bij het oude handelsdorp Culemborg was zo’n
recreatieplas. Bij deze rustieke Betuwse dorpen werden vaak
weekeinden en korte vakanties doorgebracht. Ze voeren ook wel voor
een avond/nacht de Lek op. Dan gingen ze tussen de kribben voor
anker.
Een ander
geliefd adres was de Loosdrechtse Plassen. Dit waterrijke gebied
tussen de Vecht en de Utrechtse Heuvelrug is ontstaan door
vervening. Petgaten en legakkers dienden hier ooit voor het winnen
en drogen van turf. Ze zijn weggeslagen door harde wind en golfslag.
Zo ontstonden grote en kleine plassen. Bij het Watersportparadijs
Ottenhome konden Cor en Marjan dagen achter elkaar genieten en
relaxen. Ottenhome is gelegen in de
schitterende, waterrijke omgeving van het voormalige veendorp
Loosdrecht. Het kende een cultuur van vrijheid en blijheid waar
onder de bezoekers een goede mix was. Er heerste nog een puur
Hollandse, gemoedelijke sfeer met nette prijzen. In de grootste
verhuurhaven van Nederland huurde ze dan een ‘16 kwadraat’ zeilboot
voor een dagje sportief waterplezier. Toen Cor en Marjan een
Beusichemse Jol hadden gekocht (een van de eerste Breedendam’s)
namen ze die mee om te zeilen.
Marjan
behaalde in 1984 haar vaarbewijs waardoor ook zij kon schipperen.
De vakanties brachten ze door
op en rond het IJsselmeer, in Fryslân en op de Waddenzee. Drie keer
is op een alternatieve manier naar het noorden gevaren, dan via het
IJsselmeer, om uiteindelijk in Fryslân uit te komen. Via de IJssel
werd eerst Genemuiden aangedaan. Daar heb je de mogelijkheid om aan
de kant van Overijssel te blijven. Van Genemuiden kun je dan via
Zwartsluis over de Beulakerwijde en het Giethoornsche meer naar de
Kalenbergergracht door de Weerribben via Ossenzijl naar het Friese
merengebied varen. Een andere mogelijkheid die bevaren is vanaf
Genemuiden was via de Noordoostpolder over Emmeloord langs de A6
naar Lemmer en daar naar “binnen” Fryslân in. Ook is via
Noord-Holland naar Den Helder gevaren om van daar via de Waddenzee
Fryslân te bereiken. Maar meestal gingen ze met de ‘Eenhoorn’ via de
Vecht naar Muiden of via het Amsterdam Rijnkanaal, door de Oranje
Sluizen bij Amsterdam, naar het IJsselmeer. De eerste dag voeren ze
dan tot Hoorn of Enkhuizen. Daar konden ze goed voor anker liggen.
De jol werd dan gebruikt om proviand in te slaan in de stad. Ze
bleven ook wel eens een paar dagen bij de eilanden in het IJmeer
voor Muiden liggen, als het mooi weer was, en ze eerst wilden
bijkomen.
In deze
periode werd het interieur verbeterd; aan de buitenkant werd niet
veel veranderd. Behalve dan dat de kleur van het schip gewijzigd
was. De lange roef werd citroenwit geverfd. Tot en met het berghout
was het schip zwart. Het boeisel werd groen. Later in 1994 afgezet
met een citroenwitte bies. Er werd hard gespaard voor het volgende
plan: zwaarden, lieren, het rondhout en natuurlijk ... zeilen.
Die plannen liepen vertraging op
i.v.m. de aankoop van het huis aan de Julianaweg 19 te Nieuwegein.
1989-1996
De
plannen om het schip zeilklaar te maken bleven kriebelen. In 1989
werd een ankerlier geplaatst en een kettingbak gemaakt. Besloten
werd de zwaarden, de lieren, het rondhout en de zeilen gefaseerd aan
te schaffen. Rondhout en afzelia zwaarden werden geleverd door firma
De Rie Masten uit Werkendam. Twee zwaardlieren, vallenlier met drie
rollen en een dirklier kwamen van Jappie Yme Strikwerda
Scheepslieren uit Schraard en de witte dacron zeilen (grootzeil 68 m2
en fok 30 m2) werden gekocht bij zeilmakerij Hopman Sails
uit Bunschoten-Spakenburg. Aan de mast kwamen rvs verstaging en
vallen. De rvs verstaging en de vallen werden gekocht bij de fa. De
Groot in Stavoren. Cor haalde de verstaging uit Fryslân op per
motor. Omhangen met meters roestvrij staal kwam hij dan terug in
Nieuwegein. Bij Markus B.V. Scheepsmaterialen aan de Keulsekade te
Utrecht werden door de jaren heen vele scheepsmaterialen aangeschaft
van gasolie tot karabijnhaken. Zo werd het schip omgebouwd van
woonschip via motortjalk naar zeilschip. En ondanks het feit dat het
schip zeker niet als een skűtsje was opgebouwd, hadden Cor en
Marjan er veel plezier van en waren zij trots op hun Friese tjalk.
Zeker toen in 1994 de zeilen voor het eerst konden worden gehesen.
Toen de
zeilen er eenmaal waren, was dat echt de kroon op jaren hard werk.
Het schip bleek goed te zeilen met twee personen, maar meestal waren
er meer mensen aan boord.
Zoals verwacht zeilde het schip prima. Voor Cor en Marjan het moment
dat ze hun doel hadden bereikt en het schip “klaar” was (voor zover
een schip ooit klaar is). Dat vonden ze een goed moment om het te
boek te stellen. Plannen daarvoor hadden ze al geruime tijd.
Bijvoorbeeld i.v.m. het vaststellen van het recht op eigendom bij
diefstal. Het schip werd teboekgesteld in het Scheepsregister van de
Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers te Amsterdam op 15
januari 1996 in deel 368 en werd gebrandmerkt met 12578 BA 1996. De
officiële afmetingen van het schip in de boeken waren 16,43 m x 3,60
m met een waterverplaatsing van 17,60 m3.
Nu kon ook
op het IJsselmeer en de Waddenzee zeilend de vakanties doorgebracht
worden. Op het IJsselmeer bleven ze vaak dagen achtereen “buiten”.
Echt recreëren, relaxen, vissen en zwemmen, daar kregen ze geen
genoeg van. Vaak waren ze niet alleen, maar hadden ze gasten aan
boord.
Als ze het
wad op gingen, dikwijls via Kornwerder-zand, brachten ze ook altijd
een bezoek aan de Waddeneilanden. Texel, Vlieland, Terschelling,
Ameland en Schiermonnikoog hebben ze vaak aangedaan. Altijd voor de
kust voor anker en dan lopend over het drooggevallen wad of eerst
met de jol en later met een rubberboot naar de vaste wal. Alleen op
Terschelling hebben Cor en Marjan wel eens overnacht in de haven.
Maar dan lagen ze tussen de charters. Dat vonden ze minder prettig.
Al die charter-gasten dag en nacht stampend over het schip. Van en
naar het wad gingen ze zowel via de sluizen in de Afsluitdijk als
via Lauwersoog.
Weer in
Fryslân gingen Cor en Marjan altijd even naar Drachten, op
familiebezoek. Dat was tevens een mooie aanleiding, maar zeker niet
een excuus, om heel het mooie Friese meren gebied weer door te
varen.
1997-2005
In 1997
kwam echter een tegenvaller: het schip lekte op de klinknagels van
de kimmen naar het vlak. Al die jaren was het schip krukdroog
gebleven en ineens stond er water op het vlak. Waarschijnlijk was
het schip door het zeilen meer gaan bewegen (wringen), waardoor er
ruimte kwam in de nagels.
Opnieuw
werden er plannen gemaakt met ‘Scheepswerf & Machinefabriek
Buitenweg’. Deze keer voor het vervangen van het vlak. Gekozen werd
om niet te dubbelen. De tjalk ging voor een jaar de loods in bij
‘Buitenweg’. Er werd een nieuw vlak, dik 6 mm (conform origineel
bestek), over een lengte van ruim tien meter “ingezet” en de kimmen
werden vakkundig vernieuwd. Totaal werd er 2.300 kg staal verwerkt
en aangebracht. Waar nodig werden bestaande gedeeltes spoor met
strippen gedeeltelijk uitgebrand, glad gemaakt en vervangen. De
ingang van de roef werd van stuurboordzijde verplaatst naar het
midden en er kwamen aan weerszijde van de roef drie ramen i.p.v.
twee. Omdat de betimmering hiervoor moest worden verwijderd, werden
er ook plannen gemaakt voor een geheel nieuw interieur.
Ook nu
werd er weer meegewerkt door vrienden en familie. Het schip werd van
binnen weer helemaal in het vet gezet. Aan de buitenkant kwam er een
nieuw verfsysteem op. Daarvoor moesten eerst alle resten van de in
1978 aangebrachte loodmenie en de resten van latere verf- en
teerbeurten worden verwijderd. Het schip werd kaal gemaakt en
opnieuw in de verf gezet en het vlak en kimmen werden geteerd. Nadat
het schip van de werf kwam, begon het intimmeren opnieuw.
Toen
bleek dat Cor en Marjan het niet meer op konden brengen nogmaals
helemaal voor het schip te gaan. De kosten en de baten werden tegen
elkaar afgezet en besloten werd tot de verkoop van het schip.
In 2003
liet Ronald Bastiaan Blokland (*05-10-1972 te Nieuwegein), een
projectleider in de wegenbouw, zijn oog al eens vallen op de
‘Eenhoorn’ en met name zijn ligplaats. Hij informeerde bij
Rijkswaterstaat of hij in aanmerking kon komen voor de ligplaats aan
het Jaagpad. De ligplaats was nog steeds eigendom van het Rijk en
werd nu verhuurd voor €
267,96 per jaar
door de Dienst der Domeinen via een huurovereenkomst die op naam
stond van Cor van Es, vanaf 29
juli 2004 op naam van Marjan Verhoeven. Deze kon alleen door de
Domeinen worden overgedragen. De verleende ligplaatsontheffing had
betrekking op de woonark en was daardoor niet zelfstandig
overdraagbaar. De ligplaats was gebonden aan het object. Indien
Marjan de ligplaats deugdelijk opleverde kon de ontheffing worden
opgeheven en kon Ronald in aanmerking komen. Ronald kreeg het advies
de woonark te kopen waardoor de tenaamstelling van de ontheffing
werd gewijzigd.
Marjan
liet op 30 november 2004 een Taxatierapport door Scheepsmakelaardij
Enkhuizen opmaken. E.e.a. werd getaxeerd op € 165.000,-- (€
120.000,-- ligplaats / € 45.000,-- schip). Het was
Ronald in het bijzonder te
doen om die ligplaats, waar de
ligplaatsvergunning op 13 september 2001 al verlengd was tot 1
september 2014. Het was een ligplaats die beschikte over water-,
riool-, gas-, electriciteit-, telefoon- en kabelaansluiting.
Op 2 mei
2005 werd het Nederlands binnenvaartschip ‘Eenhoorn’, type tjalk,
verkocht aan Ronald Bastiaan
Blokland en Muriël Bianca de
Heer (*03-06-1968 te Zwijndrecht) voor € 159.000,--, incl. de
gebruiksrechten van de
ligplaats aan het Jaagpad 8 te Nieuwegein. Doordat het
interieur van het schip half was
afgebouwd, de tuigage en met name mast in slechte staat waren en er
roestvorming aan de binnenkant van het boeisel was ontstaan door
achterstallig onderhoud, werd er € 1.500,-- ingehouden op de
verkoopprijs.
Met pijn
in het hart werd afscheid genomen door Marjan en Cor van het schip
waar zij meer dan dertig jaar hun ziel en zaligheid in hadden
gelegd. Omdat Ronald het schip weer snel wou verkopen om een ark aan
het Jaagpad neer te leggen had Marjan, die inmiddels in Workum was
gaan wonen, nog wel de
gelegenheid om het schip terug te kopen, maar zag hier rationeel van
af.
Door Frits J. Jansen, dec. 2008
Stichting Skűtsje ‘Jonge Rein’
|